Niet goed genoeg - Det Materman

26 augustus 2015
Op een zondagmiddag zet ik de televisie aan en val in een programma over dolfijnen. De documentaire gaat over een project uit de jaren 60-65 in Amerika. Experimenten met dolfijnen. Een jonge vrouw die geen zin meer heeft in haar studie biedt zich bij het onderzoekscentrum aan. Ze kan er komen werken, maar zal er niets verdienen. Men wil onderzoeken of de dolfijnen ook taal kunnen verwerven en in klanken uitdrukken. De jonge vrouw, Mary voldoet en gaat aan de slag.
lees meer
Maar Mary wil al gauw meer en vraagt of ze dag en nacht met één dolfijn kan optrekken. Een revolutionair plan wordt uitgevoerd door de villa zo te verbouwen dat er onder overal water is. Zo is ze dag en nacht in de buurt van de dolfijn met de naam Peter. Mary slaapt in een soort hangmat boven het water. De dolfijn blijft nu bij haar in de buurt en neemt het dag en nachtritme van Mary over. Intensief trekken ze samen op. Voortdurend oefent ze met hem met recorders om geluiden te produceren die zij voordoet. De dolfijn doet zijn best, maar het valt niet mee om in de geluiden dezelfde klanken te ontdekken die Mary voordoet. Toch genieten beiden van deze tijd, zo lijkt het. De vrouw is veel in het water bij de dolfijn.

Ik ben negen jaar en het is vakantietijd. Ik moet mijn moeder met de vrijdagse beurt van de keuken helpen. De zware kokosmatten brengen we naar buiten en hangen ze over een dwarse boomtak. Dan met de mattenklopper het vuil er uit kloppen. Wanneer we in de keuken verder gaan, hoor ik pas, wat mijn graag pratende moeder zegt: ik moet naar een ziekenhuis. De vloer in de keuken ligt er nu kaal bij met overal het scherpe schurende zand dat door de matten heen is gezakt. En waar heen? Ik moet helemaal naar Het Academisch Ziekenhuis in Groningen, voor een weekje misschien. Daar zal geprobeerd worden of er iets te vinden is dat mijn huid kan verbeteren. Dit vind ik vreselijk en ik wil niet! Ik protesteer, huil, maar besef dat er geen ontkomen aan is.
Ik ben toch niet ziek en ik wil niet naar een ziekenhuis en zo ver weg. Op de maandag die erop volgt zit ik al met mijn vader en moeder in een grote Volvo die mij gaat wegbrengen en word voor het eerst wagenziek.

Mijn ouders kunnen bijna alleen op zondag op bezoek komen. We hebben het niet breed. Soms mogen ze met een vrachtauto meerijden die een lading naar Groningen gaat brengen, omdat wij familie van dat transportbedrijf zijn.
Ik moet het zien te rooien daar. Er gebeuren allerlei onverwachte dingen die pijn doen. Van binnen en van buiten gaan ze met me aan de gang. Als ik niet voor het één of ander opgehaald word, kuier ik als nieuwsgierig Aagje naar de damesafdeling. Enkele vrouwen bekommeren zich om mij en leren nieuwe versjes en verwennen mij met kopjes bloemkoolsoep.

Maar Ik heb ook amandelen in mijn keel, niet dat ik er last van heb, toch zullen ze eruit gaan. De dokter is even bozig, want ik plas zijn broek nat. Ondanks de narcose krijg ik dat mee. Een troostende zuster wordt weggestuurd door de hoofzuster omdat ze verkouden is.
Regelmatig is het ook showtime in het Groningse ziekenhuis. Dan rijdt een zuster mij naar de collegezalen van de universiteit. Een hele tocht en liggend op de brancard voel ik de koude wind over mij heen trommelen. Deuren open, deuren dicht, tot we voor de laatste deur staan en hier moeten wachten. Dan zwaaien de deuren open en rijdt de zuster mij naar het middelpunt van een grote zaal. Stilletjes trekt zij zich terug. Ook hier lijkt het wel of de wind rondjes door deze ruimte draait en telkens koude lucht over mij heen blaast. Aan alle zijden in deze zaal zijn hoge tribunes gebouwd waar de studenten zitten. De man die naast de brancard gaat staan is de professor. Ik herken hem. Hij schuift de deken helemaal naar achteren en legt uit wat de studenten zien. Ik heb nog een horloge om. Het lijkt alsof de wind mij meeneemt weg uit deze zaal. Niemand heeft aandacht voor mij.

De afspraak is gemaakt voor een eerste sessie bij de fysiotherapeute met haptonomische begeleiding in haar pakket. Ik weet nog niets van haptonomie. Heb aan andere vormen van psychologische groepshulpverlening al een tijd mee gedaan en had altijd het gevoel dat ik op mijn tanden bijtend de dingen maar moest doen die bij mijn leeftijd hoorden en anderen vanzelf doen, maar ik niet kan.
Heel spannend vind ik het, en gespannen stap ik de auto in op weg naar de afspraak. Na een paar kilometer rij ik over een tak op de weg en de versnelling werkt niet meer. Paniekerig moet ik haar afbellen en kan pas een week later terecht. Dat lijkt eindeloos ver weg. Toch komt die eerste keer er. Ze heeft een vriendelijke kamer die me uitnodigend aandoet. Aan de andere kant van de tafel staat een grote bank, dat een beetje lijkt op een ziekenhuisbed. Na een kennismakingsgesprek verzoekt ze mij op mijn buik op de bank te gaan liggen en dat doe ik dan maar. Het is lekker warm in deze ruimte. Ze nadert en ik zie dat ze een zachte witte broek aanheeft. Ze staat nu tegen de bank aan. De professor stond ook dicht bij de brancard. Ik ben bang. Durft ze mij wel aan te raken. Kan het wel bij mij. En dan voel ik haar handen rustig landen. Zorgzaam en koel op mijn te warme rug. Deze handen doen geen rare dingen met mij. Ze verplaatst ze af en toe iets. Wat zij doet, doorboort mij tot in mijn uiterste vezels. Ik voel goedheid van haar uitgaan in haar aanraking. Maar ik voel ook dat mijn lastige huid, mijn eigen huid signalen doorgeeft die zeggen: “Je bent goed zoals je nu bent. Je bent niet alleen, iemand staat naast je en bekommert zich om jou”. Als het tijd is verlaat ik confuus haar praktijk en mag een week later terugkomen.
Bij de dolfijnen oefent Mary dag in dag uit met haar dolfijn. Zou het mogelijk zijn dat Peter toch mensenklanken kan overnemen? In de beelden die getoond worden doet de dolfijn zijn uiterste best.

Maar Peter groeit en krijgt last van de hormonen. Dit kan opgelost worden door hem met de andere dolfijnen samen te brengen. Via een lift reist de dolfijn naar het grote bassin en doet zijn ding. Regelmatig maakt Peter zijn tochtjes naar de andere dolfijnen. Op den duur vindt Mary dit toch een lastig en tijdrovend gedoe en verzint zij een oplossing. De documentaire laat zien hoe Mary de dolfijn helpt om zijn verlangens te bevredigen. Het onderzoeksprogramma moet doorgaan. De dolfijn gaat Mary als zijn partner beschouwen.
Ik ben nog een basisschoolleerling als ik door een welwillende ondernemer uit mijn plaats regelmatig samen met mijn moeder mee genomen wordt naar Duitsland voor een bezoek aan een natuurgenezer. Een nieuwe therapie: elke dag thuis na schooltijd een schoteltje met tarwekorrels leegeten. Het zijn geen gewone tarwekorrels, nee deze hebben vier weken in de kast in de kamer thuis eerst op een schap gestaan. Een keurig rijtje schoteltjes staat daar naast elkaar voor elke dag één. Wanneer ik een schoteltje leeg moet eten, zijn de korrels getooid met een laag schimmel. Dat moet zo. Ik eet elke dag kokhalzend zo’n eng schoteltje met appelmoes opgeleukt, leeg. Mijn moeder ziet er op toe. Na enkele weken word ik ernstig ziek en heb overal grote zweren op mijn huid. De huisarts komt en maakt mij met antibiotica injecties weer beter. Als hij hoort van de therapie spreekt hij mijn ouders erop aan. Ze hebben het beste met mij voor en weten soms ook niet wat goed of fout is. Zo, dat hebben we weer gehad.

Al wat langer slurp ik alles op wat de haptonomie mij kan bieden. Ik lees veel en bezoek na verloop van tijd een andere therapeut. Zijn praktijk is een uur rijden met de auto. Die dag is de voorspelling dat het meer dan 30 graden Celsius zal worden. Dit houdt in dat ik niet kan gaan. Het is te warm en in de auto raak ik gauw over verhit. Ik kan niet gaan en zou moeten afbellen.
s ’Morgens werk ik nog en zie wat de hitte met het asfalt doet. Golfjes warme lucht komen van het wegdek. Alles buiten is fel verlicht. De ruit waar ik voor sta geeft zuchtjes warmte af. Zo warm is het dus buiten. Op mijn werkplek is het koel en ik heb niet echt een idee hoe het buiten werkelijk is.

Mijn verlangen laat mij toch in de auto stappen en ik surf over de snelweg met alle ramen open. Het buldert vermoeiend in mijn oren. Bij stoplichten in het laatste stuk begint mijn lichaam zich toch te verhitten, maar ik red het. In de wachtkamer boven is het nog warmer dan buiten. Dit is het maximum wat ik nog aankan zonder neer te vallen. Hier kan niets meer bij en ik voel mijn krachten wegebben, sukkel de trap af en bel aan de buitendeur. Mijn vraag is om onder de douche mij weer wat mens te mogen voelen. Ik mag in het inpandige zwembad mijn verkoeling zoeken. Een heel bad voor mij alleen, waar ik wat heen en weer dobber en een beetje op adem kom. En dan komt de therapeut en stelt voor de sessie maar in het water te houden. Wat een uitkomst. Hij gaat dus ook het water in!
Bij het dolfijnencentrum is na verloop van tijd het geld op. Het onderzoek moet worden stop gezet. Uiteindelijk wil het ook niet erg lukken om de spraakontwikkeling van Peter naar menselijke normen op te krikken. Alle dolfijnen moeten verhuizen. Maar hun nieuwe onderkomen is verschrikkelijk klein en donker. Met het vooruitzicht afscheid van de dolfijn te moeten nemen, gaat Mary van de laatste dag met Peter een fantastische dag maken. De beelden laten dat ook op tv zien.

De therapeut maakt van zijn handen een stoeltje en daar mag ik in zitten. Oh, dit is nieuw en wat voelt dit fijn. Ik word gedragen, het bad doorgedragen in een vloeiende rustige beweging. En ik hoef niets meer te doen. Heel simpel en niet meer dan dat. Ik kan wel blijven zuchten omdat het mij zo goed doet. Woorden hoeven ook niet meer, ik hoef niets meer. Intens sla ik deze beleving voorgoed op. Het is zo op mij, op mijn behoefte van nu toegespitst. Een bevestiging en erkenning van mijn nood.
En hoe verging het de dolfijn op zijn nieuwe locatie? Mary vertelt eerst hoe heerlijk ze het met de dolfijn gehad heeft in het bassin op die laatste dag en daarna vertelt ze, zonder extra emotie, hoe het Peter verder verging.
De dolfijn heeft zich na enkele dagen op zijn nieuwe locatie naar de bodem laten zakken om te sterven.

En hoe verging het mij in het ziekenhuis? Mijn vader vond het welletjes na vier maanden en geen zicht op verbetering. Ze haalden mij op  met een vrachtauto. In de  zacht verlicht en heerlijk warme cabine rijden we samen,  de chauffeur, mijn ouders en ik huiswaarts. Zingend van geluk, ik mag naar huis.

18 juli 2015

ITH

16 april 2015
Agenda Instituut voor Toegepaste Haptonomie
lees meer

Ontvangen…

16 januari 2015
Is ontvangen een belangrijke sleutel om ons leven vreugdevol en in goede gezondheid te leven?
lees meer
door Hermien de Ridder

Is ontvangen een belangrijke sleutel om ons leven vreugdevol en in goede gezondheid te leven?

De ‘Kunst van het Ontvangen’, wat is dat wel en wat nou juist niet?

Wat mij duidelijk is geworden: het is helemaal niet zo gemakkelijk om zo maar te ontvangen.

Wat is het wel:                                                                                                                                       
• Ontvangen van een compliment, van bevestiging, aandacht, steun, van liefde.                                   
• Zo maar ontvangen zonder iets te zeggen, zonder iets te doen.                                                         
• In al je cellen laten binnenkomen, als een spons die iets opzuigt; een spons die niets opzuigt blijft droog.
• Het echt binnenkomen is al een ‘dank je wel’ op zich.
• Dat is voelbaar en zichtbaar.

Ook voor de stoffelijke dingen geldt dit principe. Mensen die slecht kunnen ontvangen zijn ook vaak snel alles weer kwijt en weinig tevreden met wat zij krijgen. Voor haptotherapeuten is die bevestiging een belangrijke, dat wel. Ontvangen van steun ook zonder dat iemand gaat leunen en zijn autonomie kwijt raakt.

Wanneer je de Kunst van het ontvangen verstaat ga je vanzelf het moois wat je ontvangen hebt doorgeven zonder zelf iets kwijt te raken. Je haalt het goede er uit voor je zelf en geeft door zonder moeite.
Dan houd je niets vast wat wil doorstromen, dat wordt een vloeiende beweging.

Een voorwaarde om goed te kunnen ontvangen is: openstaan voor alles wat het leven biedt. niet te vaak, misschien te veel beredeneren, stuk praten of afwijzen.
'Don’t say no, just say oh'. 
Manieren om ‘ontvangen’ te oefenen: bewust zijn van je reacties, van je gedachten, van je emoties. Eerlijk zijn tegen je zelf, voelen, stilte in je huis, de natuur, in jezelf ook al is het niet stil van binnen. Zijn met wat er is, mond houden, weerstand los laten, niet verdedigen, van je zelf houden, jezelf accepteren, oefenen in dankbaarheid.

In de praktijk betekent dit dat mensen met grotere basisveiligheid meer openstaan voor wat het leven biedt dan mensen die veel angst kennen.                                                                                              

En… echt ontvangen van bevestiging komt vóór geven. Je accu loopt leeg als je alleen geeft en niet ontvangt. Wanneer je goed kunt ontvangen geef je op een andere, een vrijere manier. Dan komt er een balans in geven en ontvangen, het wordt een continue stroom.        Als het ‘kunnen ontvangen’, (zo maar omdat jij het waard bent, niet vanwege je goede werken, maar omdat je er bent in het leven), niet lekker loopt, is het belangrijk eerst te leren ontvangen.

Sommige mensen zijn meer geprogrammeerd op geven, anderen meer op ontvangen. Kijk maar om je heen. Wie niet kan ontvangen, is als iemand die zijn brievenbus dichtplakt en daarna denkt:’Hé, ik krijg nooit post!’ ook al geef je nog zoveel.

Pas als je ingesteld bent op ontvangen in je leven, je denken en je overtuigingen en je cellen op ontvangen staan, ga je ook krijgen en kun je ontvangen.

Het kan zijn dat er niets in jouw richting komt, het kan zijn dat iets om te ontvangen er wel is maar dat je het niet ziet en het kan zijn dat het er is, dat je het ziet maar het niet kunt ontvangen. Mensen die moeilijk kunnen ontvangen, raken dat wat zij krijgen vaak sneller kwijt.
Wanneer het ontvangen in orde is, zal er steeds wederkerigheid zijn in de stroom van geven en ontvangen. Niet altijd tussen twee mensen, het is mogelijk om aan de ene persoon te geven en zelf weer van een ander te ontvangen. Er is geen einde aan het niveau van ‘kunnen ontvangen’. Dit kan steeds mooier en verfijnder worden. Steeds minder verbonden met bij voorbeeld: afhankelijkheid of angst voor tekort. Na elke groei wordt het oefenen of praktiseren van ‘de Kunst van het Ontvangen’ een nieuwe oefening met een andere dimensie.                                                                                                                                                                               

Alle belangrijke organen hebben deze functie; ons hart, longen en darmen laten helemaal binnenkomen en geven weer door wanneer zij het goede er uit hebben gehaald. Wanneer adem niet ten volle binnenkomt of niet wordt losgelaten krijgt een mens het benauwd.

Wat is het niet:                                                                                                                                
• te krampachtig willen vasthouden (dat is eigenlijk angst),                                                                
• terug geven voor het binnen gekomen is,                                                                                                
• het langs je heen laten gaan,                                                                                                             
• angst dat je niets of niet voldoende krijgt,                                                                                               
• alles voor jezelf willen hebben en houden.  

Soms is het geven aan een ander meer een middel om jezelf bevestiging te geven, wat nooit tevredenheid geeft. Uiteindelijk voelt dat armoedig.

Dan is het oefenen in de ‘Kunst van het Ontvangen’ belangrijk om te doen.                                         
Wees niet bang, er is genoeg!                                                                                                                  
Het komt niet altijd van de persoon van wie je dat verwacht en op het moment dat je het verwacht.

'Is ‘kunnen ontvangen’ een voorwaarde om te kunnen geven?'                                                         
was een vraag van Erik te Loo in 2011.  'Of kan het ook andersom?'
Moet je echt kunnen geven om echt te kunnen ontvangen? Ontvangen komt voor geven, niet andersom. Het ligt er wel aan waar we het over hebben. Ik ken mensen die heel slecht kunnen ontvangen, maar heel veel geven in de vorm van: zorgen voor, cadeautjes enz. heel lief maar de diepere stroom die vervulling geeft kennen zij nauwelijks. Zij geven vaak ook uit een soort schuldbewustzijn, niet echt vrij. Het is een cirkel die langzaam omhoog gaat: niet eerst 100% kunnen ontvangen en dan pas geven,  het volgt elkaar. Die groei, die virtueuze cirkel kan een heel leven door gaan. ik weet dat er mensen zijn die dit ontkennen, zij hebben het over een andere vorm van ontvangen en zij mogen er overigens anders over denken.

Bezig zijn en blijven met je vooruitgaande beweging zonder actief tot rust te komen, zonder jezelf te ontvangen of iets van het leven te ontvangen, put een mens uit op alle vlak. Op die manier raakt bewust-zijn ver weg. Dat is destructief voor je gezondheid, voor je essentie en voor de beweging van geven en ontvangen. 

Wanneer zijn de vitale bewegingen in orde? Als er beweging in is, diepte, bewegingen passend bij de persoon zoals die bedoeld is. Voldoende rust en voldoende beweging, ruimte en rust om te ontvangen in brede zin.
Het gevolg is dat iemands basisveiligheid groter wordt. Grenzen zowel duidelijker voelbaar worden als ook zonder nadenken eerder gehanteerd worden, de herstelkracht en flexibiliteit toenemen. 

Oefen je in ‘De Kunst van Ontvangen’ en kom tot de beste versie van jezelf!                                                  
Dat betekent: tot je recht komen in het leven met al je kwaliteiten, een vreugdevol en zo gezond mogelijk leven.
Je uitstraling en de kringloop van geven en ontvangen gaan van-zelf-stromend mee.              

Hermien de Ridder, december 2014


Over de schrijfster van dit artikel:

Hermien de Ridder, auteur van het boek 'Hart & Haptonomie', werd tijdens haar
fysiotherapieopleiding geraakt door haptonomie. Inmiddels werkt ze als
haptotherapeut in haar eigen praktijk in Woudenberg en geeft cursussen en
trainingen, waaronder de training 'Hart & Haptonomie'.

Van effectiviteit naar affectiviteit: het haptonomisch mensbeeld

16 januari 2015
‘Maar als ik u nu de affectiviteit moet voorstellen, moeten wij elkander eraan herinneren, dat denken, noch willen, noch gevoelsmatig streven, iets bevroeden kunnen van het mysterieuze appèl van de ongeschonden affectiviteit, die de muren van haar wezen vindt opgetrokken binnen het liefdes-appèl en de liefde-respons, waar ze altijd aanwezig is in gratuit verwijlen’ A.A.A. Terruwe 1)
lees meer
Door Drs. Mia van Luttervelt

‘Maar als ik u nu de affectiviteit moet voorstellen, moeten wij elkander eraan herinneren, dat denken, noch willen, noch gevoelsmatig streven, iets bevroeden kunnen van het mysterieuze appèl van de ongeschonden affectiviteit, die de muren van haar wezen vindt opgetrokken binnen het liefdes-appèl en de liefde-respons, waar ze altijd aanwezig is in gratuit verwijlen’ A.A.A. Terruwe 1)

6.1 Inleiding
Uitgaande van de spanning tussen constructie en realiteit zullen in dit hoofdstuk de ontologische postulaten van de haptonomie worden besproken. Aan de hand van de begrippen ‘lichaam-subject’ en ‘het voelen’ bij Merleau-Ponty wordt het haptonomisch mensbeeld verder uitgewerkt. De begrippen ‘effectiviteit’ en ‘affectiviteit’ worden besproken in relatie tot verschillende ‘zijnswijzen’. Aan de hand van ‘zelf-ordening’ als therapeutische principe en een analyse van het begrip ‘heling’ wordt duidelijk gemaakt dat het Zijn ‘heelt’.Tenslotte enige notities betreffende de scheiding tussen ‘zijn’ en ‘behoren’.

6.2 Constructie en realiteit
In iedere wetenschap bestaat een voortdurende spanning tussen constructie en realiteit.2) In hoofdstuk vijf hebben we gezien hoezeer de wijze van kennen medebepalend is voor ‘werkelijkheid’. Elke empirische wetenschapper gaat in eerste instantie uit van de bestaande situatie en geeft een beschrijving van deze situatie als werkelijk bestaand. Daarbij is de intentie steeds het zoeken naar waarheid. Toch onderscheiden we soorten (wetenschappers en bij hen passende werkelijkheidsbeschrijving):
Er zijn realisten die uitgaan van een naturalistische ontologie. Hierbij is ‘zijn’ primair het sociale, biologische, psychologische zijn. Er wordt gesteld dat er onafhankelijk van het menselijk bewustzijn, dit wil zeggen ‘objectief’, een werkelijkheid bestaat die tevens als voorwaarde voor het kennen en denken wordt beschouwd.
Er zijn empiristen die ervan uitgaan dat voor het bereiken van kennis de zintuiglijke of onmiddellijke ervaring doorslaggevend is. In het positivisme streeft men ernaar empirisch-wetenschappelijke kennis tot een wereldbeeld te synthetiseren.
Er zijn idealisten (‘intellectualisme’) die de opvatting huldigen dat alleen de ideeën de ware werkelijkheid vertegenwoordigen. Voor Plato (ca.427-ca.347 v.C.) kwamen de ideeën uit de transcendente wereld (mythe van de grot). Voor Descartes (1596 -1650), grondlegger van het moderne idealisme, waren de ideeën in de eerste plaats elementen van het menselijk denken.
Er zijn constructivisten die stellen dat het sociale krachtenveld of de biologische structuur de werkelijkheid schept.
Ook binnen de haptonomie zijn deze visies terug te vinden. Veldman lijkt een realist, van een mogelijk constructivisme lijkt hij zich niet bewust. Sommige, vaak jongere therapeuten lijken te werken vanuit het filosofisch idealisme: ‘je schept je eigen werkelijkheid’; dit idee kan bij ernstig zieke of getraumatiseerde mensen desastreuze gevolgen hebben.
Zelf volg ik Merleau-Ponty in de visie, waarin de ambiguïteit, dit wil zeggen de dubbelzinnigheid van constructie en realiteit voorop staat. De kern van deze visie is, dat vooral wordt verwezen naar het lichaam-zoals-wij-het-leven, waarin de ambiguïteit of zelfs de onbeslisbaarheid van beide duidelijk wordt. Het lichaam-zoals-wij-het-leven is een realiteit en het construeert. Uitgaande van de dagelijkse ervaring van werkelijkheid komen, na analyse en reflectie, de verschillende gezichtspunten samen in de verschillende constructies. Alleen door een proces van differentiatie verschijnen de dualiteiten constructie en realiteit, subject en object, Ik en de Ander. Een dergelijke visie past mijns inziens ook het beste bij de theorie en de praktijk van de haptonomie.

6.3 De ontologische fundering van de haptonomie
Ontologie is de tak van filosofisch onderzoek die zich bezighoudt met de studie van de ideeën over het bestaan zelf. Zij onderzoekt ook de (impliciete) aannames over het bestaan die ten grondslag liggen aan enig conceptueel schema, theorie, methode of ideeënsysteem.
Veldman fundeert de haptonomie op het ontologische oergegeven, dat de tastzin de primordiale kenfunctie vormt van het leven ten dienste van het levensbehoud (TASTEN.p.17). In zijn conceptie van de haptonomie, evenals in de psychologie en de geneeskunde stuiten we op dubbelzinnige antropologische vooronderstellingen: de mens is een wezen dat wetmatig verklaard kan worden en tevens die wetmatigheden kan transcenderen; er zijn regelmatigheden in het menselijk gedrag en deze regelmatigheden kunnen worden opgeheven. Deze vooronderstellingen komen tot uitdrukking in de controverse tussen de metabletici en de nomothetici. De metabletici beweren dat er helemaal geen wetmatigheden bestaan en beroepen zich op de historische veranderlijkheid van de mens. De nomothetici achten uitsluitend het opsporen van algemene wetten van belang. ‘De moeilijkheid met de mens is blijkbaar dat hij tegelijk een wetmatig verklaarbaar én een historisch wezen is’ (De Boer, p.116-134). De mens heeft een ‘eerste natuur’ (godmade) en een ‘tweede’ (manmade) die elkaar doordringen zonder duidelijke grens. We vinden dit onderscheid al bij Kant. En Buytendijk onderscheidt zodoende een fysiologische antropologie naast een antropologische fysiologie. Waar het op aankomt, zegt De Boer, is dat de gebieden waar de nomologische benadering succes heeft, juist die zijn, die het minst voor ‘integratie in het gesprek’ in aanmerking komen. Hij wijst ons erop dat de nomothetici ons herinneren aan ‘wat we nu eenmaal zijn’, de metabletici appelleren aan ‘wat we van onszelf kunnen maken’. Ook in de haptonomie vinden we beide gezichtspunten terug: de mens is niet alleen een natuurwezen dat slechts bewogen wordt door oorzaken, bijvoorbeeld vanuit zijn fysiologie, maar ook een animal rationale dat gemoveerd wordt door redenen en zijn gedrag met redenen omkleedt. De rationele verklaring wil de mens begrijpen door zijn redenen te achterhalen. Bij de haptonomie ligt bovendien het accent op ‘van gevoel doorstraalde rede’, omdat, in de woorden van Pascal, ‘het hart redenen heeft die de rede niet kent’. Dit accent is terug te voeren op de aanname van het tasten en voelen als primordiaal voor het levensbehoud.
In de komende subparagrafen worden de ontologische postulaten van de wetenschappen benoemd, waarvan we in hoofdstuk vijf de wetenschappelijke methoden hebben besproken. Deze postulaten gelden zowel voor de geneeskunde als de haptonomie.

6.3.1 De postulaten van de geneeskunde en de haptonomie als natuurwetenschap
Bij alle drie nu volgende postulaten gaat het om typen van reductie: (1) een reductie van het ruim geschakeerde menselijke kennen (methodologisch, zie hoofdstuk 5), (2) een reductie van de rijk geschakeerde menselijke werkelijkheid (ontologisch) en (3) een reductie van begrippen en uitspraken (logisch). Zie 5.4.1.

De postulaten zijn:
  • (1) Objectiveerbaarheid. Er wordt aangenomen dat het gekende objectiveerbaar is. Bij het natuurwetenschappelijk kennen wordt uitgegaan van een sterke scheiding tussen degene die kent en het gekende, de waarnemer en het waargenomene, tussen subject en object. Aan deze vorm van wetenschap ligt een metafysica van het menselijk objectivisme ten grondslag. Men tracht subjectieve factoren buiten te sluiten door strikte methoden te formuleren. Deze idee is aanvechtbaar. Vooral bij het onderzoek aan mensen zijn zoveel en veranderlijke variabelen relevant, dat iets verdergaande generalisaties wetenschappelijk niet verantwoord zijn.
  • (2) Analyseerbaarheid. Men neemt aan, dat het geobjectiveerde object losgemaakt kan worden van andere objecten en dat het intern gesplitst kan worden tot onafhankelijke onderdelen of zelfs elementen. Hiertegenover staat het idee van het holisme: het geheel is meer dan de som der delen; en de som van de delen van de analytische ervaring is niet gelijk aan de pre-analytische ervaring. Bezien op het niveau van de individuele mens, ontstaan logische en filosofische problemen, omdat de mens zich steeds in een situatie bevindt, waarin de intentionaliteit een grote rol speelt.
  • (3) Wetmatigheid. Men neemt aan dat alle gebeurtenissen niet zo maar plaatsvinden, maar hun grond hebben in iets anders. De meest gehoorde visie is dat deze grond gevormd wordt door een universele causaliteit. Het gaat hier om een uitspraak over de meest fundamentele eigenschappen van de werkelijkheid. Deze uitspraak kan niet worden geverifieerd of gefalsifieerd. Wetmatigheid betekent tevens het postulaat van het determinisme. In de nomothetische4) wetenschap wordt de mens als historisch maatschappelijk wezen uitgeschakeld. Volgens Linschoten wordt wel de volle werkelijkheid, maar niet de werkelijkheid in haar volheid onderzocht. (De Boer, p.19). De Boer (p.48) schrijft dat de discussies over dit onderwerp al meer dan een eeuw gevoerd worden. Tegenover de mens als ding staat de mens in de geleefde ervaring (De Waelhens), tegenover de robot de mens als animal symbolicum (Bertalanffy) en tegenover de mens als organisme de mens die zijn eigen geschiedenis maakt (Holzkamp). Beide partijen weten elkaar vrijwel nooit te overtuigen. Men raakt elkaar zelfs niet (cursivering van mij, ML). Er wordt geopperd dat er wellicht sprake is van een soort existentiële keuze. In de haptonomie is dat zeker het geval. Dat de natuurwetenschap voor de haptonomie een hulpwetenschap is, bijvoorbeeld in de anatomie, fysiologie en kinesiologie, hoeft daarmee niet storend strijdig te zijn, omdat het gaat om een ander domein van onderzoek.

6.3.2 De postulaten van de geneeskunde en de haptonomie als hermeneutiek
Tussen de polen van de natuurwetenschap met haar objectivering en van de ethische situatie met absolute transcendentie en heteronomie bevinden zich vele andere situaties met andersoortige gerichtheid. Een belangrijke vorm is die van de hermeneutiek, de kunst van het uitleggen of interpreteren. De term ‘hermeneutiek’ kan zowel betrekking hebben op methodologie als op het filosofisch grondslagenonderzoek. Wijsgerige hermeneutiek vraagt naar de aard van de mens en zijn taal.

In de hermeneutische geneeskunde onderscheiden we de volgende ontologische postulaten (zie 5.4.2):
  • (1) Betrokkenheid, d.w.z. de innerlijke verbinding tussen de onderzoeker en zijn object. Doordat de onderzoeker beperkt en eindig is en niet de gehele waarheid kent, is ook een volledige objectivering niet mogelijk.
  • (2) Zinvolheid. Er wordt aangenomen dat wordt verwezen naar iets begrijpelijks.
  • (3) Holisme. De verschijnselen worden hierbij gezien in het geheel van het leven. De inwendige verbindingen binnen het leven van de patiënt worden hierbij niet door een analyse verbroken.
  • (4) Historiciteit. Het postulaat van wetmatigheid kan bij de hermeneuse niet worden gehanteerd, doordat zowel de onderzoeker als het onderzochte historisch zijn bepaald. Hierdoor is ook geen algemeen geldige kennis mogelijk. Het historische is constitutief voor de hermeneutisch te begrijpen werkelijkheid.
  • (5) Uniciteit: zie 5.4.2. de verschijnselen worden beschouwd als niet herhaalbaar, uniek.
  • (6) Morele waarde: zie 5.4.2. De morele houding van de onderzoekers is medebepalend voor de onderzoeksmogelijkheden binnen de geneeskunde. De geneeskunde wordt mede bepaald door de morele waarde van haar object, dat wil zeggen door de moraliteit. Voorbeeld: de houding van de onderzoeker ‘ik vind het het beste voor mensen om pijn te vermijden en zoveel mogelijk te genieten’ maakt andere elementen van de cliëntsituatie voorgrond en achtergrond dan de houding ‘ik vind het het beste voor mensen om een zinvol leven te ervaren, als het goed met ze gaat en ook als het (onomkeerbaar) slecht met ze gaat.’

6.3.3 De postulaten van de geneeskunde en de haptonomie als dialogische en heteronome discipline
De situatie van een al of niet haptonomisch geschoolde (para)medicus is niet die van een wetenschappelijk onderzoeker. De objectivering is meestal niet zover doorgevoerd. Deze is het minst in de situatie, waarin sprake is van een echt gesprek. De hulpverlener is in beginsel bereid de persoon van de patiënt en zijn klachten serieus te nemen. Hij gaat ervan uit dat de persoon goede redenen heeft om bij hem te komen en dat de persoon eerlijk is in zijn uitingen. In de ideale dialogische situatie, die eigenlijk nooit voorkomt, zijn er de volgende postulaten omtrent de andere persoon (zie 5.4.3): (1) Intentionaliteit, (2) Integriteit en authenticiteit, (3) Rationaliteit, (4) Gelijkheid, (5) Transcendentie, (6) Uniciteit en historiciteit, (7) Morele waarde.
Bij de dialogische filosofie denken wij vooral aan de filosoof Martin Buber die schrijft over de waarden van liefdevolle communicatie.5) In de dialoog zijn twee subjecten met elkaar in gesprek. Men mag hopen dat zij elkaar als gelijken respecteren, dit wil zeggen dat de een de ander laat uitpraten en beiden elkaar serieus nemen. Wanneer de ander als subject echter als zeer overheersend wordt ervaren, treedt een intensivering van de situatie op van de postulaten (5) en (7) die door Levinas zeer indringend is beschreven. De transcendentie van de ander wordt dan veel meer overweldigend aanwezig dan in de dialoog. De ander wordt dan de Ander die volledig buiten het bereik van het ik blijft. De Ander beschuldigt, bepaalt de maat en stelt de wet. Hier is sprake van heteronomie in plaats van de autonomie van het ik. Waar Levinas spreekt over het appèl, spreekt de haptonomie over ‘het geraakt worden’. In het appèl, het geraakt worden, vinden we de ethische grondslag van de geneeskunde en de haptonomie. Het appèl, het beroep dat een patiënt op een hulpverlener kan doen, kan door deze soms als zeer dwingend of zelfs agressief ervaren worden.

6.3.4 De postulaten van de geneeskunde en de haptonomie als exisentieel-fenomenologische discipline
De ontologische postulaten, oftewel de wezenseigenschappen die de realiteit van het eigen lichaam constitueren, zijn 6):
  • (1) De continuïteit van ruimte, tijd en inwerkende krachten. Deze wordt opgevat als een holisme, waarmee ze tegenover de natuurwetenschappelijke analyseerbaarheid staat. Het eigen lichaam is ruimtelijk. Alle lichamelijke indrukken hebben een plaats in de ruimte; er bestaat een veld, dit wil zeggen dat de ruimte continu is en niet uit geïsoleerde dingen en een lege ruimte bestaat. De structuren in tijd en ruimte vooronderstellen elkaar. Hun identiteit is veldafhankelijk. Dit postulaat staat tegenover de analyseerbaarheid uit de natuurwetenschap. Het lichaam is niet slechts een natuurwetenschappelijk object, een zinvolle tekst, of een representatie, zoals in de psychologie. Het veld van het eigen lichaam is ruimtelijk, een extensio, maar het heeft ook geestelijke eigenschappen en subjectieve aspecten. De afstand tussen subject en object is hier nog kleiner geworden dan in de natuurwetenschappen en de hermeneutiek. Er is nauwelijks sprake meer van een kentheoretische afstand tussen (para)medicus en patiënt, noch tussen geest en lichaam. Dit leidt tot:
  • (2) De persoonlijke identiteit met het lichaam. Het lichaam kan niet volledig worden geobjectiveerd zonder het veld van het eigen lichaam te verlaten. Het lichaam wordt geleefd in de eerste persoon en heeft zelfs eigenschappen als intentionaliteit. Het heeft niet alleen een extensio, een uitgebreidheid in de ruimte, maar ook een lichamelijke cogitatio, dit wil zeggen een lichamelijk kennen en denken. De Cartesiaanse categorieën extensio en cogitatio, die volledig uit elkaar werden gehouden, gaan hier dus in het eigen lichaam tezamen. De lichamelijke werkelijkheid is hier dus ambigu, ambivalent. Dit ambivalente in-de-wereld-zijn en het intentioneel op-de-wereld-gericht-zijn wordt door Merleau-Ponty existentie genoemd. Ook vanwege het veldkarakter zijn hier de verschijnselen (onder andere haptonomische fenomenen) als zinvolle eenheden (tegenover de analyciteit) en als uniek (tegenover wetmatigheid) te ervaren. In de intercorporaliteit bestaat een directe participatie aan de sfeer van de ander; dit vormt een grondslag voor de toekenning van een morele waarde van (het lichaam van) de ander. Bij dit postulaat vallen bovengenoemde persoonlijke identiteit, intentionaliteit en het lichamelijke kennen samen.
  • (3) Transcendentaliteit: zoals Merleau-Ponty het beschrijft, is het existentiële veld ook transcendentaal met betrekking tot de wetenschappelijke realiteiten. In de ethische transcendentaal filosofie van Levinas lig het transcendentale fundament in het concretissimum, de kritische confrontatie met ‘het gelaat van de Ander’
  • (De Boer, p.162).

6.4 Het haptonomisch mensbeeld: het lichaam-subject en het voelen
In deze paragraaf wordt de haptonomie als existentieel-fenomenologische discipline verder uitgewerkt, zodat we zicht krijgen op het haptonomisch mensbeeld. Het gaat hierbij ook om een specifieke opvatting over de lichamelijkheid van de mens. In de natuurwetenschappelijke opvatting wordt het lichaam beschouwd als een gegeven, als feitelijk en concreet, afgegrensd door de huid. Buiten de huid is er niets ‘lichamelijks’ meer. Frans Veldman, grondlegger van de haptonomie, is altijd fel gekant geweest als  men de haptonomie een lichaamsgerichte, of lichaamsgeoriënteerde benadering noemt. . Volgens Veldman gaat het in de haptonomie om een persoonsgerichte benadering waarbij de zelfbeleving als bezielde lichamelijkheid centraal staat. Er is sprake van het dépasseren van het substantiële 7) lichaam.
Veldman hanteert hier de visie van Maurice Merleau-Ponty die het begrip le corps-sujet 8) introduceerde 9). Met dit lichaam-subject wordt bedoeld dat het subject, de persoon, het betekenisgevend gewaarzijn, is geïncarneerd (ingevleesd) in de wereld. Het één (het ‘vlees’ van de wereld [la chair du monde], de materie, waaronder ons biologische lichaam) is niet zonder het ander (ons bewustzijn, ons vermogen betekenis te geven, te oordelen).Het lichaam-subject gaat uit van de eerste persoon: ik kan alleen voor mijzelf kijken, voelen, proeven, wakker en sensitief zijn, daar iets over oordelen en daar uitdrukking aan geven. Merleau-Ponty toonde telkens opnieuw aan dat het ‘objectieve’ 10)
denken niet houdbaar is. Dit objectieve denken kan zowel de vorm aannemen van realisme (empirisme) of daartegenover van idealisme (intellectualisme). Zie 6.2. Merleau-Ponty gaat een derde weg, een weg van het midden waarin de geïncarneerde subjectiviteit centraal staat en wij terugkeren tot onze oorspronkelijke ontmoeting met de (leef)wereld. De mens is in-de-wereld en neemt die wereld waar nog voordat hij overgaat tot een verklaring van die wereld. Elke verklaring wordt voorafgegaan door en steunt op het prereflexieve, dit wil zeggen het voorbewuste, van waaruit de mens dan met zijn wijze van zingeving tot zelfbewustzijn komt. De mens is via zijn lichaam altijd verbonden met de wereld. Dit uit zich niet alleen via het gedrag en de waarneming van de mens, maar ook in zijn taal en in de artistieke expressie. Via zijn lichamelijkheid is de mens geworteld in de wereld. Merleau-Ponty spoort ons aan te erkennen dat het objectieve denken de fenomenen van de geleefde ervaring op een fundamentele wijze verwringt. Daarbij leidt het objectieve denken tevens tot vervreemding van onszelf en ons lichaam en tot afstandelijkheid van anderen en de ons omringende leefwereld. Wij zijn voelend, waarnemend aanwezig in deze wereld en op deze wereld gericht: Mon corps est là ou il y a quelque chose à faire. 11)

Voor het haptonomisch mensbeeld richten wij ons nu op Het voelen (‘le sentir’). 12). In de Fenomenologie van de waarneming laat Merleau-Ponty zien dat een theorie van het lichaam ook reeds een theorie van de waarneming behelst. In zijn hoofdstuk over het voelen geeft hij ook een verdere uiteenzetting over de lichamelijke intentionaliteit 13).  Het voelen is, noch een passief registreren, noch een actief opdrukken van een betekenis; iets voelen betekent co-existeren of ermee leven’, zichzelf ervoor openen en het zich eigen maken voorafgaand aan enige reflectie of specifiek persoonlijke handeling. Wanneer we onze filosofische oordelen terughouden zullen we gemakkelijk genoeg toegeven dat er geen denker achter onze oren of handen staat wanneer we horen of aanraken, of wanneer we ons uitstrekken op het gras of het zand of wanneer we onszelf verliezen in de blauwe lucht boven ons hoofd. Wie van ons kent niet de ervaring van het eenworden met de lucht of de zee op een heldere zomerdag? Waarom zouden we die ervaring wegdoen als een verwarring of een illusie? Zo schrijft Merleau-Ponty. Het subject van het voelen is niet dat persoonlijke zelf dat meningen heeft en beslissingen neemt; het is veeleer het pre-persoonlijke levende lichaam waarvan de zintuigvermogens even zovele ‘natuurlijke zelven’ zijn.
Ook schrijft Merleau-Ponty: de diversiteit en de eenheid van de zintuigen zijn twee aspecten van het voelen; elk zintuig heeft zijn eigen wereld terwijl het ook een schakel vormt naar een ruimere wereld van geïntegreerde ervaring. We kunnen gemakkelijk heen en weer schuiven of ‘switchen’ van het ene zintuiggebied naar het andere zonder onze greep op de wereld te verliezen. Er blijkt een interzintuiglijke wereld te bestaan waarin alle zintuigen interacties vertonen en met elkaar samenwerken.

Onder invloed van het gebruik van bijvoorbeeld mescaline (een geestverruimend middel) wordt deze originele synaesthetische ervaring dramatisch prominent, omdat het de gebruiker ertoe brengt die analytische houding op te geven die de wereld atomiseert, waardoor hij letterlijk geluiden ziet, kleuren hoort en deze voelt vibreren in zijn eigen lichaam. Normaliter ontstaat er tenslotte een perceptuele synthese die echter fundamenteel verschilt van een intellectuele synthese. Deze perceptuele synthese is vergelijkbaar met de binoculaire grip van een verrekijker op een enkelvoudig object. Het horen van kleuren of het zien van geluid blijkt uiteindelijk niet meer of minder mysterieus of wonderbaarlijk dan de samenwerking van de twee ogen bij het zien.
Wij richten ons nu op de ruimte. De verankering van het lichaam als een ‘natuurlijk zelf’ institueert een fysieke of ‘natuurlijke’ ruimte en opent daarmee een ‘menselijke ruimte’ die de wereld omvat van emoties, dromen, mythen en gekte, zowel als de wereld van reflectie. De beschrijving van deze menselijke ruimte plaatst alle traditionele onderscheidingen - zoals die tussen vorm en inhoud, helderheid en dubbelzinnigheid, werkelijkheid en verschijning – tegen een achtergrond van een ‘alverbondenheid’, een innige en uitgebreide samenhang van alles met alles, en revolutioneert de rol van filosofie zelf. Merleau-Ponty beschrijft in Phénoménologie de la perception in zijn hoofdstuk ‘L’Espace’ over de natuurlijke, doorleefde ruimte die de uitdrukking is van ons in-de-wereld zijn. Díe ruimte, als onlosmakelijke en onontkoombare factor van ons zijn, is als een vloeistof die ons en alles feitelijk met elkaar verbindt in een onloochenbare samenhang en communicatie. In die samenhang begrepen krijgen alle praktische onderscheidingen een nieuwe betekenis. Bijvoorbeeld: wat is de betekenis (waarde) van een emotie, gedachte of haptonomische interventie in de samenhang die hier bedoeld is, onze gezamenlijke leefwereld, waarin die emotie, gedachte, interventie feitelijk werkt? En: in welke mate en tot welke prijs kan een wetenschappelijk onderzoeker of  praktische werkzame therapeut de hier bedoelde samenhang negeren? Deze wijze van denken revolutioneert ook de rol van de haptonomie in de gezondheidszorg, denk ik.

Dan volgen nu enkele summiere opmerkingen over aanraking en het lichaamsveld. Om het theoretisch model van de haptonomie te kunnen verhelderen is het nodig telkens een beroep te doen op de eigen ervaring van de lezer in de sfeer van de lichamelijkheid en de affectieve ontmoeting, de sfeer van de existentiële fenomenologie. Om haptonomisch te kunnen na-denken en na-voelen is dit appèl op het eigen referentiekader noodzakelijk, want, ook al hebt u, als lezer, nog nooit iets met de praktijk van de haptonomie te maken gehad, u heeft waarschijnlijk wèl in uw leven ervaringen gehad met aspecten die in de haptonomie een belangrijke rol spelen.
In de haptonomie gaat het niet primair om het praten over het lichaam, als wel om de affectieve ontmoeting met de ander en met het eigen lichaam, de dialogische situatie bij uitstek. Ook hier kan weer een perspectiefwisseling plaatsvinden: zodra ik voornamelijk gericht ben op mijn eigen lichaam, kan ik het contact met de ander verliezen; wanneer ik ‘helemaal opga’ in de ontmoeting, heb ik nauwelijks weet meer van mijn eigen lichaam, bijvoorbeeld van mijn ademhaling of mijn spierspanning, al blijven ze in de marge van mijn waarneming aanwezig. De affectieve communicatie middels het haptonomische gesprek, indien nodig tezamen met de direct tastbare (goede) aanraking vormt een vertrouwenwekkende ervarings-, ontmoetings- en leerweg in de persoonlijke ontwikkelingsprocessen van een mens. Dit kan voelbaar en tastbaar gemaakt worden door het aan den lijve te ondervinden. Er is dan sprake van tactiele communicatie en ervarend leren, waarbij leemtes en/of blokkades in de ontwikkeling van de cliënt ervaarbaar kunnen worden, benoemd kunnen worden. Vervolgens kan worden gewerkt aan het invullen van de leemtes indien mogelijk, en het verhelpen of hanteerbaar maken van blokkades. Het gaat hier om een specifieke haptonomische leerweg, die men in therapeutische situaties een vorm van remedial teaching zou kunnen noemen.

“De haptonomie wil bijdragen aan het aanwenden/aanspreken van het voelende en voelbare lichaam als bron van uiteenlopende leefstijlen of zijnswijzen waarin verbondenheid, vrijheid en verantwoordelijkheid kenmerken zijn.”14)
  • In de haptonomische fysiotherapie wordt daarbij niet alleen aandacht geschonken aan het ‘herstellen van dysfuncties van het bewegingsapparaat’ (dit is de wettelijke opvatting van fysiotherapie), maar ook aan de verstoorde affectieve communicatie die daarin weerspiegeld kan zijn. Aspecten hiervan zijn mooi beschreven door Sacks in Een been om op te staan’ en door Luriya in De man met een kogel in zijn hoofd.
  • In de haptotherapie wordt aandacht geschonken aan het oplossen van emotionele problemen in relatie tot het voelende en voelbare lichaam.
Middels de persensus, het uitbreiden van het lichaam door een rechtstreekse gevoelsverbondenheid met voorwerpen of levende wezens (musicus met instrument, moeder met kind, ruiter en paard; een twee-eenheidsrelatie of dyadische relatie waarin beurtelings nu eens de een leidt en de ander volgt, en dan de ander leidt en de een volgt), en de transsensus of circumsensus, de gevoelsverbondenheid op afstand, in een ruimte (docenten, sprekers, artiesten), legt iemand affectief contact met anderen. Dit kan leiden tot een haptonomische consensus, een gemeenschappelijkheid van gevoel. Een uitgebreidere omschrijving van deze begrippen is te lezen in het boek Haptonomie, wetenschap van de affectiviteit van Veldman (2008)  Bij dit alles gaat de haptonomie uit van de participatietheorie, waarbij primair alles in de kosmos op deze wijze met elkaar communiceert in wederkerige beïnvloeding maar de communicatie belemmerd en geblokkeerd kan raken; dit in tegenstelling tot de transmissietheorie, waarbij we moeten denken aan een systeem van zenden en ontvangen, zoals in de radiotechniek, waarbij communicatie slechts onvolledig en moeizaam gerealiseerd kan worden. Middels participatie kunnen sporters elkaar ‘blindelings’ vinden op het sportveld, middels transmissie komen vredesonderhandelingen moeizaam tot stand. Beide hebben een functie. Middels participatie raken patiënten en hulpverleners gemakkelijker met elkaar in contact wanneer ze elkaar en elkaars gebruiken al kennen en in een vertrouwde omgeving verkeren. Voor vreemden is dat moeilijker, men is dan gevoelsmatig ook terughoudender. Men hoeft geen haptonoom te zijn om te (h)erkennen dat de sterk wisselende contacten, steeds andere hulpverleners aan je lijf in onze huidige, gefragmenteerde gezondheidszorg (en ook daarbuiten!) ongunstig zijn voor het handhaven van een feeling state of safety16) bij patiënten én hulpverleners. Bastiaans zegt: “Insufficiëntie en tekortschieten van de contactfuncties impliceren doorgaans aantasting van evenwicht, zo ook verlies aan zekerheid, veiligheid, vrijheid en zelfvertrouwen”. Hulpverleners die een haptonomische scholing volgen, ontdekken dat zij door het ontwikkelen van hun haptonomische contactmogelijkheden zowel zichzelf als hun patiënten beter kunnen helpen in belastende situaties.
“De haptonomische benadering appelleert consequent aan de beaming door de rede, en vordert haar bevestiging en bekrachtiging van de binnen het benaderingscontact gezamenlijk gevoelde en beleefde werkelijkheid.” (Hapto, p.345-357.)

We kunnen nu begrijpen wat in de haptonomie bedoeld wordt met ‘het dépasseren van het lichaam’: het gaat voorbij het ding-lichaam (le corps-object) naar ‘een lichaam-subject zijn’, in de zin van een voortdurend veranderend knooppunt van levende betekenissen. De concrete situaties waarin ik mij aangesproken voel en waarin ik een zin ontdek, wisselen telkens, maar de ervaring gaat steeds door. Daardoor is mijn lichamelijke zijn nooit te herleiden tot mijn geobjectiveerde lichaam, los van mijn doorleefde, gevoelde lichaam. Evenmin is het te herleiden tot een ‘innerlijke wereld’, los van de materiële aspecten van de situatie. Dit betekent dat we nu ook kunnen inzien waarom Veldman zich verzet tegen de opvatting dat haptonomie een lichaamsgerichte therapie is. Een deel van het probleem rond ‘haptonomie is een lichaamsgerichte therapie’ ontstaat, doordat meestal niet duidelijk is welke inhoud de term ‘lichaam’ heeft. Haptononie mag alleen dán een lichaamsgerichte therapie worden genoemd, wanneer in de definitie van ‘het lichaam’ uitdrukkelijk ook het lichaam-subject wordt begrepen.

6.5 Zijnswijzen: van effectiviteit naar affectiviteit in de hulpverlening
In 1979 vergeleek Huib de Haas van Dorsser de gangbare hulpverlening zoals deze grotendeels gebaseerd is op effectiviteit in het handelen, met de haptonomische hulpverlening zoals deze gebaseerd is op affectiviteit, vanuit een zijnskwalificatie17) De begrippen effectiviteit en affectiviteit’ hebben in de haptonomie onder invloed van het werk van Anna Terruwe een heel specifieke betekenis gekregen.18) Veldman gebruikt deze begrippen in een iets andere betekenis doordat hij geprobeerd heeft ze te integreren met de haptonomische fenomenen en de ‘zijnswijzen’, zoals de psychiater Bastiaans die hanteerde. Bastiaans19) gebruikte bij het onderwijs in de psychiatrie te Leiden drie concepten van de zijnswijzen en de zijnsmogelijkheden van de mens:
  • (1) De onbegrensde zijnswijze. Hierin heeft de mens nog nauwelijks weet van grenzen waarin hij zich als afgegrensd of afgescheiden kan ervaren. Deze zijnswijze impliceert het persisteren van de vroege symbiotische moeder-kindrelatie waarin het kind nog geen weet heeft van eigen grenzen.
  • (2) De begrensde zijnswijze. Deze zijnswijze impliceert het herkennen van grenzen op grond van waarnemings- en aanrakingservaring. Dit is de fase van individuatie en separatie, vooral van het onderscheid tussen vreemd en eigen, een onderscheid dat als een belangrijk kenmerk mag worden gezien van de eerste Ik-wording. Gezonde individuatie impliceert ook het kunnen afwijzen en neen zeggen. Bij pathologie vinden we overmatige afsluiting in vele vormen, waaronder autisme, narcisme en andere karakterpantsers die alle het kenmerk hebben dat prettige en soepele communicatie verhinderd wordt.
  • (3) De ontgrensde zijnswijze. In deze zijnswijze kan het individu de deuren van het contact, van perceptie en expressie openen of sluiten naar het uitkomt, met behoud van zelfvertrouwen en identiteit; hij kan het contact met de binnenwereld en de buitenwereld bewust en vrijwillig optimaliseren; hij kan zich zeker voelen en thuis zijn, zowel bij zichzelf als in de wereld. ‘De mens die zó affectief-communicatief in het leven staat, is een wezenlijk ander - meer volwassen - persoon, die in zijn houding en gedrag “de open bestaans(zijns-) wijze der affectiviteit (Terruwe), de ontgrensde zijnswijze (Bastiaans), het haptonomisch ‘Aanzijn’ (Veldman) representeert.”20) In deze ontwikkelingsfasen, c.q. zijnswijzen kunnen stoornissen en/of regressies optreden waardoor mensen in vicieuze cirkels van isolement geraken. Volgens Bastiaans dient alle bevrijdende haptonomisch georiënteerde therapeutische activiteit gericht te zijn op het laten beleven van zekerheid in het samen-zijn en het samen-doen, met het doel door bevestigende aanrakingservaringen de ontwikkeling in de richting van de derde zijnswijze te vergroten. Er moet een nieuw samenspel komen tussen de homo spiritualis, de homo faber, de homo ludens21) en de homo innocens, met een integratie van gevoel en verstand.

In de gangbare hulpverlening is weinig plaats voor samen-zijn en samen-doen. Deze hulpverlening wordt in haar uiterlijke dimensies gekenmerkt door effectiviteit, dit wil zeggen door gerichtheid op verandering, werken met macht en het streven naar een effectievere hulpverlening. Vanuit haar innerlijke dimensie wordt zij gekenmerkt door de persoonlijkheidsstructuur van de hulpverlener: deze vertoont de neiging tot de vorming van het hulpverlenerssyndroom met een zekere vatbaarheid voor verschijnselen van burnout (opgebrand raken). Bij effectiviteit willen betrokkenen van en in de ander iets voor zichzelf bereiken. De mens in effectiviteit is in wezen een zoeker van zichzelf. Affectiviteit wordt daarbij vaak begrepen als een aspect van, of een variabele in de therapeutische relatie. Men verstaat er meestal onder een klimaat van warmte en veiligheid scheppen zonder welke de therapeutische of zorgrelatie niet zal vorderen. Affectiviteit wordt daarmee echter tot een deel van een verder functionele, zakelijke relatie gemaakt. Zij wordt ondergeschikt gemaakt aan een ‘effectieve’ houding en daarmee van haar wezenlijke inhoud en betekenis ontdaan. Affectiviteit, als tegengesteld aan effectiviteit is een zijns-kwalificatie.22) Het is de grondslag voor en de basis van de open bestaanswijze, in nauwe verbondenheid met de ander, maar toch in zelfstandigheid. De mens in affectiviteit is de mens ‘in toewending tot de ander en het andere; de mens’ in ontvankelijkheid, in bewogenheid, in verwondering, in respect, in aandacht voor de ander en in warmte’. Deze zienswijze binnen de haptonomie is gebaseerd op de bevestigingsleer van de psychiater Anna Terruwe (zie 3.4). Bevestiging wil volgens haar zeggen:
“je mag zijn wie je bent - en zoals je bent - met fouten en gebreken -
om te kunnen worden die je in aanleg bent - maar zoals je je nog niet kunt vertonen - en je mag het worden op jouw wijze en in jouw uur.”23)

‘Bevestiging ontstaat vanuit een innerlijke behoefte: het vraagt niets, het eist niets van de ander. Integendeel, de ander mag juist zijn zoals hij is; hij wordt in zijn waarde en eigenheid gelaten. Bevestiging onthult de ander in de hoogste vorm van zijn Zijn: zijn goedheid. Bevestiging of bevestigd zijn ligt aan de basis van menselijke zelfverwezenlijking, de ontplooiing en ontwikkeling van iemands mogelijkheden.’24)
In de ethiek van de zorg signaleren Tronto en Manschot de soms problematische verhouding tussen zorgverlener en zorgontvanger (zie 7.8). In de haptonomie luidt de vraag: Hoe haptonomisch is de ontmoeting tussen hulp/zorgverlener en hulp/zorgontvanger? Is er sprake van effectiviteit in min of meer wederzijds objectiveren, manipuleren of zelfs uitbuiten, met als gevolg opgebrande hulp/zorgverleners en uitgeputte, ontmenselijkte ‘objecten van zorg die zich letterlijk als zoutzakken de ‘zorg’ laten welgevallen? Of is er sprake van affectiviteit in wederkerige bevestiging waarbij beiden zich rijker en ‘beter’ voelen na de therapeutische ontmoeting?

6.6 Zelf-ordening als therapeutisch principe: het Zijn ‘heelt
Met zelf-ordening als therapeutische principe toont de ontologie van de haptonomie zich ook in haar transcendente werkelijkheid: het Zijn ‘heelt’. Dijkhuis heeft gewezen op het belang van zelf-ordening als therapeutisch principe.25) Hij constateert een tendens in de ontwikkeling van psychotherapie die zich als volgt laat omschrijven: erkenning van het feit dat niet alleen de vragen maar ook de antwoorden bij de hulpvrager bestaan; een grotere gerichtheid op het ervaren; een toenemende aandacht voor de non-verbale communicatie en de lichamelijkheid. Hierdoor is de hulpvrager in het hele proces van het exploreren van zijn problemen en het zoeken naar mogelijke oplossingen centraal komen te staan (client-centered therapy). Hij is het zelf die het hier en nu verkent, niet slechts om uiting te geven aan zijn momentane emoties, maar vooral om te leren hoe hij in het algemeen met zijn gevoelens kan omgaan. Hij is het zelf die zijn gevoelens en behoeften erkent zoals die zich lichamelijk aan hem voordoen en tot uitgangspunt neemt van zijn handelen in de omgang met zichzelf en anderen. De hulpvrager is dus zelf ordenend bezig om tot zelfverwezenlijking te geraken. De taak van de hulpverlener laat zich zodoende definiëren als: de hulpverlener helpt de hulpvrager zichzelf te helpen. De hulpverlener is voorwaarden-scheppend bezig en bewaakt het leerproces waarin de hulpvrager tot zelf-ordening geraakt.26) Deze grondlijn van therapeutische activiteit benoemt Dijkhuis als luisteren; in de haptonomie wordt dit veeleer benoemd als ‘voelen’ (in de interzintuiglijke betekenis). Vanuit deze grondlijn dienen de interventies van de therapeut zich te voltrekken, op basis van een steeds herhaalde verificatie. Dit wordt enerzijds vaak verwoord als:‘Hoe langer ik naar mijn vriend luister hoe meer antwoorden hij zichzelf geeft’, en anderzijds als: ‘Wanneer ik goed doorvoel, weet ik wat de ander nodig heeft’. Dijkhuis stelt dan dat Veldman, doordat hij deze visie uit de psychotherapie toepaste op de fysiotherapie, daarmee de fysiotherapie transcendeerde. Daardoor creëerde de haptotherapie, als getranscendeerde fysiotherapie, een context waarbinnen iemand zelf ordenend bezig is om tot zelfverwezenlijking te geraken. Hij kan aldus leren integraal gezond te leven en/of op een gezonde wijze met ziekte, pijn en lasten om te gaan. In zijn lichamelijkheid is hij dan niet re-actief, maar pro-actief: hij trekt zich niet terug in isolement en vervreemding, maar heeft hoop en toekomst. Dijkhuis stelt dat het wezenlijk anders is een cliënt te omhelzen, hem te confronteren met inconsistenties in zijn verbale en non-verbale uitingen, hem te stimuleren zich zijn lichaamservaringen bewust te maken, dan wel in zijn haptische ruimte te treden en met hem samen zijn ervaren te exploreren. Dit laatste is wat er in de haptotherapie en bij fysiotherapie op haptonomische basis gebeurt op geleide van tactiel contact.
Het Zijn ‘heelt’. Hapto wil zeggen heelmakend aanraken. De filosoof Bollnow zocht naar de mogelijkheidsvoorwaarden voor menselijk leven, naar een weg die voert van de existentieel benauwende ervaring dat het menselijk bestaan aan alle zijden onbeschermd is en essentieel eenzaam, naar een ‘dragende werkelijkheid’ en een nieuw gevoel van geborgenheid: een ander mens, een menselijke gemeenschap, voor zover zij bevruchtend op het leven inwerken. Hij spreekt van ‘de nieuwe ontologische ervaring, wanneer hij stelt dat het Zijn heelt’ (zie 34).27) Het begrip ‘helen’ betekent genezen, heelmaken, doen herstellen, beter maken. Helen en helingsprocessen zijn deels metafysische begrippen, mysteries. Aanraking ‘heelt’, gevoelens van geborgenheid, van getroost-zijn, van bevestiging, etc. ‘helen’. Mensen kunnen gaaf blijven temidden van de bedreigdheid en de wereld kan heel blijven te midden van alle ogenschijnlijke vernietiging. Bollnow zegt dat het begrip ‘heel’ hier een eigenaardig nieuw motief van ‘het Zijn’28) is, dat als zodanig nog nauwelijks onder de aandacht van de filosofen is geweest. Bollnow onderzoekt dit begrip taalkundig, in dichterlijke uitspraken, in het heel- zijn van de dingen en van organismen, van de wereld en van de mens. Heel is steeds alleen het breekbare, dat ongebroken is gebleven. Geheeld is: de wond die weer gesloten is. Heling is het proces van heel- worden; heling is te danken aan de helende krachten van de natuur. Het organisme is iets dat ernaar streeft om na alle verwondingen weer terug te keren tot de toestand van heel-zijn en ‘de kunde van de arts’ kan daarbij een zekere graad van zinrijke steun geven aan de natuur. De beschermende en hernieuwende krachten van de heling kan men ervaren als de verborgen diepere krachten uit ‘de grond van het Zijn’. Bollnow citeert een dichtregel van Werner Bergengruen: ‘Diep in de binnenste kring rust haar kern, getroost en gaaf’. Wat van belang is, is dat de ‘gaafheid’ van de wereld niet ligt in de massiviteit van het uiterlijk bestel, maar alleen in een verborgen diepte, en dat dit ‘gaaf-zijn’ in zijn kern volkomen kan samengaan met allerlei kwetsuren aan de oppervlakte. Deze toestand van eigen gaafheid blijkt de voorwaarde waaronder men ook de wereld in zijn gaaf-zijn kan begrijpen. Bij Heidegger was in zijn werk Sein und Zeit geen plaats voor het begrip ‘helen’. Heidegger ging juist uit van de angstwekkendheid van de wereld en van het daarop gebaseerde geen-geheel-zijn van de mens. Dit is het wereldbeeld van de onbevestigde mens. Bollnow meldt ook hoe Heidegger in zijn latere ontwikkeling, waar hij zich bezighoudt met de uitleg van Hölderlin’s gedicht ‘Terugkeer/aan de verwanten’, spreekt over de ‘blijdschap’ als die toestand van de mens, waarin de dingen zich vanzelf aan hem in hun eigen wezen openbaren. Heidegger vat nu in één begrip het gave en het blije samen. Dit ‘blije-gave’ is dan niet meer een toestand van de menselijke ziel bij een of ander mens, maar een zijnscategorie zelf, een zo-zijn van de wereld. Dit ‘blije-hele’ heelt, schept uit zich ‘het gave’, datgene waardoor ieder mens pas ‘heel’ zijn kan. Bollnow komt tot de slotsom dat de helende krachten van de natuur, die na alle verwondingen de totaliteit weer herstellen, tegelijk de krachten zijn, die uitgaan van de binnenste, meest kwetsbare kern. Bollnow acht het fenomeen en het begrip ‘heel’ van het grootste gewicht voor de filosofie. ‘Het gaat hier echter wel om een zeer breekbaar fenomeen, dat men slechts met zeer voorzichtige handen kan aanpakken.’ Het is naar deze Zijns-wortels van heling, dat haptonomische handen zich voegen, zoals alle levende wezens zich voegen naar ‘de plaats en de persoon, die heelt’.

6.7 De scheiding tussen ‘zijn’ en ‘behoren’
Zonder direct in een principiële discussie te vervallen denk ik dat het noodzakelijk is hier kort iets te zeggen over ‘zijn’ en ‘behoren, ‘sein’ und ‘sollen’. Dit is een discussie in de filosofie die verband houdt met de problematiek rond de scheiding tussen ‘feiten’ en ‘waarden’. In de natuurwetenschappen is het gebruikelijk een strikte scheiding aan te (willen) brengen tussen feiten en waarden.
Zoals we hebben gezien is in de haptonomie de scheiding tussen subject en object, tussen geest en lichaam telkens min of meer opgeheven. Datzelfde lijkt zich ook voor te doen tussen feiten en waarden, zijn en behoren. Waar de haptonomie zich op het pre-predicatieve, het pre-verbale niveau begeeft, kan dat ook niet anders. Maar het maakt effectiviteit en affectiviteit als begrippen problematisch. Er blijken sterke waardeoordelen aan verbonden. Deze begrippen, nergens kort omschreven, hebben nog steeds veel invloed in de haptonomische taalgemeenschap en geven, vooral daarbuiten, veel aanleiding tot verwarring. Ze zijn een aparte studie waard. Veldman schrijft niets over de scheiding tussen ‘zijn’ en ‘behoren’. Vaak lijkt die scheiding bij hem niet aanwezig, maar waarom dat wel of niet terecht heel zinvol is, staat nergens beschreven. We bevinden ons hier in het overgangsgebied tussen de ontologische en de ethische dimensie (zie 7.2). Over ethiek gaat het volgende hoofdstuk.

6.8 Samenvatting
Uitgaande van de spanning tussen constructie en realiteit werden in dit hoofdstuk de ontologische postulaten van de haptonomie geformuleerd. Aan de hand van de begrippen ‘lichaam-subject’ en ‘het voelen’ bij Merleau-Ponty werd het haptonomisch mensbeeld verder uitgewerkt. De begrippen ‘effectiviteit’ en ‘affectiviteit’ werden besproken in relatie tot verschillende zijnswijzen; voor wat betreft de scheiding tussen feiten en waarden bleken deze begrippen problematisch. Aan de hand van ‘zelf-ordening’ als therapeutisch principe en een analyse van het begrip ‘heling’ werd duidelijk gemaakt dat het Zijn ‘heelt’. Om te helen voegen haptonomische handen zich naar de wortels van het Zijn, zoals alle levende wezens zich voegen naar ‘de plaats en de persoon, die heelt’. Tenslotte werd met enige notities over de scheiding tussen ‘zijn en ‘behoren’ de overgang voorbereid naar het volgende hoofdstuk dat de ethische grondslagen van de haptonomie tot onderwerp heeft.


Voetnotes
  • 1)  A.A.A. Terruwe, ‘Affectiviteit en Effectiviteit – Breekpunt van menselijk leven’, in: Raakvlak heel de mens, p.38.
  • 2) D. Tiemersma, Constructie en realiteit in de geneeskunde, collegemateriaal 1994-95, Faculteit Wijsbegeerte, Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • 3)  D. Tiemersma, On bodily schema’s in medical construction and reality, collegemateriaal 1994/95; samenvatting en vertaling door mij, ML, gepresenteerd tijdens een college Filosofie en Geneeskunde.
  • 4)  Twee activiteiten zijn instituerend voor de natuurwetenschap: analyseren en functionaliseren, d.w.z. uit elkaar nemen en in een wetmatig verband brengen. De meest gangbare benamingen voor deze methode zijn: empirisch-analytisch, hypothetisch-deductief en nomologisch ( of nomothetisch). (De Boer, p.19).
  • 5)  Martin Buber, Das dialogische Prinzip: Ich und Du, Zwiesprache, Die Frage an den Einzelnen, Elemente des Zwischenmenschlichen, Zur Geschichte des dialogischen Prinzips, 5., durchgesehene Auflage, Heidelberg, 1984.
  • 6)  Tiemersma, Body schema and body image, Ch.6 Merleau-Ponty’s phenomenological interpretation, Ch.8: A philosophical anthropological theory and a life-field theory, Amsterdam 1989.
  • 7)  Substantie: stof waaruit iets bestaat, grondstof, materie, ‘hardware’.
  • 8)  Le corps-sujet: E: the personal body, N: het persoonlijk lichaam, lichaam-subject, leeflichaam.
  • 9) M.Merleau-Ponty, Phénoménologie de la Perception. Zie mijn Merleau-Ponty’s Fenomenologie van de waarneming – samenvatting en commentaar.
  • 10) Hierbij moet in gedachten worden gehouden dat dit zogenaamde ‘objectieve’ denken niet alleen ‘objectief’ denkt; het denkt ook ‘objectiverend’, dit wil zeggen het reduceert alles, dus ook mensen tot ‘objecten’, hetgeen een menselijke ontmoeting uitsluit. Mensen voelen zich als een voorwerp behandeld met alle vervreemdende en ontmenselijkende gevolgen van dien.
  • 11) Vertaling: Mijn lichaam is daar waar iets te doen is. Merleau-Ponty, Phénoménologie de la Perception, p.289.
  • 12) Monika Langer vertaalt ‘Le sentir’ in het Engels liever als ‘sensing’ dan als ‘sense experience’, zintuiglijke ervaring. In het Nederlands geef ik de voorkeur aan ‘het voelen’, ook al omdat dit beter aansluit bij het haptonomisch taalgebruik.
  • 13) Intentionaliteit is een sleutelbegrip in de hedendaagse fenomenologie: de opvatting dat de mens als regel in zijn geheel gericht is op de wereld die zich in diverse facetten aan hem ontvouwt. Bewustzijn is altijd bewust zijn van iets.
  • 14) Pieter Verduin, Communicatie en Haptonomie, collegemateriaal (6) Academie voor Haptonomie te Doorn,
  • 15) Oliver Sacks, Een been om op te staan, Utrecht 1992. A.R.Luriya, De man met een kogel in zijn hoofd, Amsterdam 1989. Zie ook mijn Merleau-Ponty’s fenomenologie van de waarneming - samenvatting en commentaar.
  • 16) J.Sandler, ‘Het model van fundamentele zekerheid’, in: Bastiaans, ‘Doorbraak van isolement’, in: Raakvlak heel de mens, p.l3.
  • 17) Huib de Haas van Dorsser, Van effektiviteit naar affektiviteit in de hulpverlening, Doktoraalscriptie Sociale Psychologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1979.
  • 18) Zie begrippenlijst.
  • 19) J.Bastiaans, ‘Doorbraak van isolement, in: Raakvlak heel de mens, p. l1-21. J.Bastiaans, ‘Over het aanraken in de geneeskunde’, in: Opening naar leven - liber amicorum, essays opgedragen aan Frans Veldman, grondlegger van de haptonomie, Overasselt 1990, p. l-9.
  • 20) Terruwe, Affectiviteit en Effectiviteit’, p.33-38. J.Bastiaans, ‘Verlating’, in:
  • Haptonomisch Perspectief 3, Overasselt 1976, p.2l-38. Veldman, Tasten naar zinvol contact, p57. F.R.Veldman, ‘Over leven’, in: Opening naar leven, p.ll5.
  • 21)  Zie: Kiek Zeydner, Homo ludens haptonomicus, een spelend medemens’, in: Opening naar leven, p. 143-148. ‘Spelen in haptonomische zin wil zeggen: ik presenteer mijzelf vanuit de speelsheid van mijn wezen, zodat ik door de ander herkend kan worden als een medespeler, een medemens. Ik speel geen rol, maar breng een levensspel tot uitdrukking, waarin ik als persoon herkenbaar ben.’
  • 22)  A.A.A.Terruwe, ‘Affectiviteit en effectiviteit, breekpunt van menselijk leven’, in: Raakvlak heel de mens, 1976.
  • A.A.A.Terruwe, Affectiviteit-effectiviteit, breekpunt van menselijk leven, over waarde-overdracht in het onderwijs, Lochem 1988.
  • 23) A.A.A.Terruwe, Blijft het duister nu ons licht?, p.14.
  • 24) De Haas van Dorsser, Van effektiviteit naar affektiviteit in de hulpverlening, p.l 6.
  • 25)  J.J.Dijkhuis, Zelf-ordening als therapeutisch grondbeginsel, in: Raakviak heel de mens, p.25-33.
  • 26)  De oud-Griekse filosoof Herakleitos/Heraclitus (ca.530-470 v.C.) zei al dat onderwijs niet zozeer ‘een emmer vullen’ is, als wel ‘het ontsteken van een vuur’.
  • 27)  Otto Friedrich Bollnow, Nieuwe geborgenheid, Utrecht 1953,
  • 2.2 Het begrip: helen, p. 109-117.
  • 28) Ontologie: zijnsleer, leer van ‘het Zijn’.